Rosie is dertien, brutaal en kwetsbaar. Ze staat met het ene been in het dromenland van een kind, met het andere in de nuchtere wereld van de volwassene. Maar Rosie staat in de eerste plaats in haar eigen wereld, een plek waarin verbeelding naadloos in werkelijkheid kan overgaan, waarin tussen droom en daad geen praktische bezwaren staan.
Zo idyllisch en sprookjesachtig haar belevingswereld is, zo grauw en grijs is haar omgeving. Rosie woont samen met haar hardwerkende moeder Iren in een kleine flat in een zielloze volkswijk. Moeder en dochter houden van elkaar, maar het doet Rosie pijn dat ze haar moeder geen moeder mag noemen. Irene is namelijk op zoek naar een man en vraagt Rosie zich te gedragen als haar kleine zusje. Noch in de flat, noch in Rosie’s dromenwereld is er plaats voor moeders gokverslaafde broer Michel. Rosie wil de realiteit een schop geven, een welgemikte trap in de richting van haar sprookjeswereld. De Duivel zit in haar
hoofd.
Rosie belandt in een gesloten instelling. Een deel van haar mysterieuze verleden onthult ze in brieven aan Jimi, een mooie rebelse straatjongen. In Rosie’s ogen is Jimi haar prins. Want Rosie is een tsarina en een tsarina gaat voor niets minder.